zaterdag, juli 06, 2013

Een memorabele nacht.

Alles is relatief, natuurlijk.
In het licht van wat er in januari gebeurde, was het niet meer dan een onaangename situatie. Maar op het moment zelf leek het mij de zoveelste traumatische ervaring (ik overdrijf weer een beetje) die ik in mijn volwassen leven geserveerd kreeg. 
En het toppunt was dat ikzelf de bediening deed... 


Aan de mensen die uit de lucht vallen er nu pas bijkomen zou ik kunnen zeggen: Lees rap mijn voorgaande berichten. Maar dat lijkt mij eerder onbeleefd. (En het zijn er nogal veel.)
Dus ik zal u even inleiden in dit verhaal, dat het vervolg is op  'Chek, Check en nog eens check'. (zie archieven, met de zoekbalk rechts)


Bondgenoot en ik zijn met vakantie in Frankrijk.

Kawasaki 1000

Domaine de Vincent

 

 

 

 

 



Na een week te hebben doorgebracht in 'Domaine de Vincent' in Royère de Vassivière, zijn we nu op weg naar een andere gite.


Het is zondagavond 23 september 2012, 10 uur 's avonds.


We zitten ergens in het departement Corrèze, op een zwaar beladen motor, in de regen. In het donker. En dik in de shit puree. 

Om zijn werkdruk wat te verlichten had ik voorgesteld aan Bondgenoot om alle gps-routes te maken. Ik, Zenobie, de dienstbare.
Dat voorstel werd natuurlijk in dank aanvaard. 
Zodoende had ik begin september een hele dag voor de computer gezeten, met Google Earth en het mij vrij onbekende programma Mapsource, om alle routes uit te tekenen: naar ons eerste verblijf, naar een museum van wandtapijten in Aubusson, naar een messenmaker en een likeurstokerij in Brive-la-Gaillarde, naar ons tweede verblijf, enz...
   

Bij dat laatste moet er iets mis gelopen zijn. (Vraag me niet wat, het blijft voor eeuwig een raadsel, te meer omdat alles in de eerste week perfect verlopen is.)
 
De plaats die de gps als bestemming aangeeft, klopt niet.

We zitten 48 km van Puy d'Arnac. Dat is het dorp dat we volgens onze telefonische hulplijn (de dochter van de eigenaars) moeten zoeken, om de gite te vinden, zo'n viertal kilometer verderop. 
We hebben geen adres, in de zin van een straatnaam. Alleen 'Domaine de Savignoux'.
We weten dat het huis blauwe luikjes heeft en ergens verscholen ligt, in 'de diepte'.
We weten ook, uit ervaring, dat het hier gevaarlijk rijden is in het donker. 

Reden voor mij om mij zorgen te maken en in mijn hoofd allerlei dramatische filmpjes te regiseren, waarin ambulances, motorwrakken, takeldiensten en gipsverbanden overvloedig in beeld komen. 

Bondgenoot rijdt voorop, op een Kawasaki Versys 1000. Ik volg, op mijn lichtere versie van datzelfde model.
Hij zegt niet veel.
Hij zit waarschijnlijk nog met een tak tussen zijn tanden om hem ervan te weerhouden mij uit te kafferen.    (Grapje hoor. Zo is hij niet.) 

We rijden in zuidelijke richting.  
Gelukkig op een redelijk grote baan met lange, rechte stukken want we rijden nogal met de vlam in de pijp.  Omdat we serieus 'en retard' zijn.
 
Terwijl ik mij voorstel hoe de eigenaars van de gite boos naar hun uurwerk zitten te kijken en beginnen te geeuwen, valt mijn oog plots op een bordje langs de weg.
Een smalle, witte plank met een pijlpunt naar rechts.
In een flits lees ik de woorden 'Puy d'Arnac' en een cijfer erachter. 
Ik kijk snel even voor mij, of ik nog wel in 't midden van de weg rijd,  en dan terug opzij. 
In de verte, een heel stuk boven de horizon, zie ik een paar lichtpuntjes. 
Huizen ? Bovenop Puy d'Arnac ? 
Het kunnen geen sterren zijn want er hangen wolken, (waar regen uit valt).

Bondgenoot rijdt gewoon door. Hij heeft dat bord dus niet gezien. 

Ik wil hem verwittigen, maar de verbinding tussen onze Sena's (communicatiesysteem) is tijdelijk uitgevallen. 
Via de drukknop
links op mijn helm,  tracht ik de connectie te herstellen. 
Zodra ik wat geruis hoor, vertel ik wat ik heb gezien. 

Ik hoef niet paranormaal begaafd te zijn om te raden wat hij denkt: Kon je dat niet eerder gezegd hebben ?
Ja, ja... als we gezellig naast mekaar in een auto gezeten hadden. Dan was er geen probleem geweest. Maar de zaken liggen nu eventjes anders.
We zitten op een kletsnat zadel van een zwaarbeladen motor, in het donker en we rijden naar ...euh... naar.... En we rijden. Punt.  
 
We zoeken een plek waar we veilig kunnen draaien en keren terug.

Het bord stond rechts vóór mij, in het doorrijden, dus ik moet nu links achter mij kijken, om het opnieuw te zien. 

       Was het hier ? 
Nee.    
       Hier ongeveer ?
Nee, ook niet. Dat is een ander wit plakkaat bord.
 
      Nog een beetje verder misschien? 

't Is moeilijk om afstanden in te schatten als je aan een andere snelheid rijdt. Ik begin al te twijfelen of ik het überhaupt wel echt gezien heb.  

Bondgenoot wordt ongeduldig. "We keren om" zegt hij.
Ok, we keren om. Nog eens. 
Terug van waar we gekomen zijn. 

Waarschijnlijk scheelde het maar een paar meter; zijn we nét niet ver genoeg terug gekeerd om de pijl naar Puy d'Arnac te zien staan.
Maar hoe meer ik erover nadenk, hoe blijer ik daarvoor ben. 
't Zou gedaan geweest zijn met de grote, rechte baan en we zouden op de sukkel geweest zijn.

- 'Op de sukkel ? Wat zijt gij toch een negatief mens!', verwijt ik mezelf. 
Maar ik laat mij niet zwart maken (zeker niet door mijn eigen zelve) en ga meteen in de verdediging.  
-'Ik ben géén negatief mens, ik ben gewoon realistisch. Weet ge nog over welke avontuurlijke (lees:gevaarlijke) weggetjes Madam (=de gps) ons de afgelopen week heeft gestuurd ?'
-'Ja, ik weet het nog: scherpe bochten met rare hellingshoeken, blinde kruispunten, steile afdalingen door ultra-nauwe steegjes met uitstekende rotswanden, ...

krokelwegnauwe steegjes










-'Zie je wel ? Ge hebt toen reeds al uw rijkunsten én koelbloedigheid  maximaal moeten aanwenden. En dat was dan nog overdag ! Als ge nu in 't  pikkedonker over kleine ...' 

Ik moet het pleidooi tegen mezelf onderbreken want de omgeving eist mijn aandacht op. Er is plots veel meer bebouwing. 
  
We komen in een stadje. 
'Beaulieu-Sur-Dordogne' lees ik op een bord.
Hmmm, interessant.
Het ziet er hier redelijk toeristisch uit: Veel verlichte gebouwen, winkels, café's, restaurants, veel auto's op een parkeerterrein en ... een hotel.

Yes !!   
Een hotel!
Ik ben in mijn leven nog nooit zo blij geweest om een hotel te zien als vanavond. 

Waarmee de discussie in mijn hoofd een vervolg krijgt.  

- 'Een hotel? Ge wilt toch niet in een hotel slapen zeker ?
- 'Toch wel'
- 'In een hotel??? Terwijl ge in een gite verwacht wordt ?  Dat is pure  geldverspilling.'
- 'Kan mij niet schelen. Ik heb geen zin om mij te verongelukken.' 

Bondgenoot stopt naast het voetpad dat aan een pleintje grenst, waar veel auto's geparkeerd staan. Hij legt zijn motor stil en stapt af.
Ik stop achter hem, draai ook mijn contactsleutel om maar blijf zitten op mijn stalen ros. 
Terwijl hij rond zich begint te kijken, kom ik snel met mijn voorstel op de proppen. "Er is hier een hotel'. 
  
Hij draait zich even om, kijkt naar het bedoelde gebouw en beaamt: "Ja Zenobie, er is hier een hotel".  
Ik had evengoed kunnen zeggen: mosterd is bruin. Hij zou ook 'ja' gezegd hebben.   

Tot zover dus mijn suggestief talent. 

Bondgenoot heeft mijn netjes ingekleede voorstel goed gehoord en de hint wél gesnapt.  Maar hij is, net als ik, de vrucht van een generatie die de oorlog heeft mee gemaakt. Mijn brein zit eigenlijk op één lijn met het zijne: Verkwisting is uit den boze. We gaan nu geen geld verbrassen door in een hotel te slapen.
Maar mijn brein is creatiever in het bedenken van rampscenario's.   
 

Ik blijf op mijn motor zitten en volg hem met mijn ogen.

Hij steekt het plein over en gaat naar een muur, waar een stadsplan hangt achter een glazen wand. 
Zo'n 'Vous-etes-ici'- bord. 

Laat mij eens raden: U bevindt zich hier, in Beaulieu-sur-Dordogne

Ik zie hoe hij met zijn vinger op het plan wegen traceert die ons naar de gite moeten leiden waar we verwacht worden.

En ik zie voor mijn geestesoog het zoveelste noodlottige filmpje, met  tromgeroffel en jankende violen in de soundtrack. 

Ik begin weer naar het hotel te lonken kijken.

Het zou toch veel veiliger, comfortabeler, makkelijker,  ja, gewoon BETER  zijn om hier te overnachten dan nu in het donker onze weg te gaan zoeken.
Ik zet mijn motor op zijn zijsteun en stap af.
Bondgenoot is nog geconcentreerd bezig met een analyse van het stratenplan.
Aangetrokken door de warme gloed van de rode lichtjes op het terras steek ik de straat over en loop richting hotel. 
Maar als ik voor de glazen schuifdeur kom, gebeurt er niets. 
De receptie is verlaten, geen kat te zien.
Er is ook nergens een bel te bespeuren.
Ik tik een paar keer met ongeduldige kneukels op het glas.
Tevergeefs.
De zaak is dicht. 
Merde !

De lichte colère die ik voel opkomen is natuurlijk tegen mezelf gericht. 
Ik had beter moeten opletten toen ik die routes maakte. Ik had een cursus mapsource moeten volgen.  Ik had mijn muis beter moeten vast houden.  Ik had de cursor in de gaten moeten houden toen ik wegen aanklikte.
Ik had alles moeten checken.
En ik ben ook kwaad op de architect. Wie bouwt er nu een hotel zonder bel...!?! 

Met slenterende pas keer ik terug naar de motorfietsen. Tot ik iemand zie buiten stappen uit een café. Een lokale toogplakker. Die moet mij kunnen helpen.  
In looppas schiet ik op die man af. "Monsieur,  monsieur ..." Hij schrikt zelfs een beetje van mij.
"Excusez-moi, monsieur. Is er hier geen hotel?" vraag ik in mijn beste Frans.
Hij wijst naar het gebouw achter mij.  Hm, dat. 
Ik schud mijn hoofd. Non, non. Ferme-Gesloten.
Hij schudt ook met zijn hoofd. 
Of hij weet het niet. Of er zijn hier geen hotels.
In het laatste geval ben ik ook boos op de middenstand en de burgemeerster van dit lieflijke oord. Hoe wil je nu een toeristische trekpleister zijn, als je de toeristen geen onderdak kan bieden?
Dit lijkt Betlehem wel. 

In één van de appartementen langs het pleintje gaat het licht aan en een deur open. Een vrouw komt op haar terras staan om een sigaret te roken. 
Zou ik haar aanspreken? Vragen of we bij haar in de zetel mogen slapen?
Ik zal moeten roepen. Naar het vierde verdiep.   
Nee, beter de nachtrust niet verstoren en eerst zelf de officiële logementen uitpluizen.  

Ik ga tot bij Bondgenoot. Zonder naar het kastje met de kaart te kijken vertel ik hem dat ik het ECHT niet zie zitten om nu in het donker en de regen onze weg verder te zetten. En dat ik voor deze ENE nacht een slaapplaats ga zoeken. En het morgen wel zal uitleggen aan de eigenaars...
 
Vooraleer hij de kans heeft om nogmaals de vraag te stellen die mij ook al de hele tijd bezig houdt (hoe is het toch mogelijk dat je zo geblunderd hebt?), draai ik mij om en stap op mijn doel af: het naburige plein.
 
In het midden staan geparkeerde auto's. Ik ga ertussen staan en speur in wijzerzin de hele omgeving af:  boetiek, winkel, winkeltje, bakkerij,  café, restaurant, woonhuis, café. En dan zie ik 'Le manoir de Beaulieu' op een gevel staan. Erboven, een dubbele rij van zes ramen met paarse luikjes. En erronder iets wat een groot restaurant zou kunnen zijn. Naast de brede ingangsdeur hangen allerlei bordjes. Dat moet een hotel zijn.  
Yes ! 
Ik vlieg er naar toe. 
In mijn haast om binnen te gaan bots ik hard tegen de deur want ze is op slot.
De vier mensen die bij de kassa aan de bar staan draaien zich om en kijken mij aan. Maar daarna zetten ze hun gesprek gewoon verder.
Allez jong, zien zij niet dat ik een potentiële klant ben,  een bron van inkomsten? 
Als ik op het raam begin te kloppen draait iedereen zich opnieuw om.
Een jonge kerel met een sikje draait met zijn hand een onzichtbare sleutel in een onzichtbaar slot, waarmee hij wil zeggen: We zijn dicht. 
Ja, dat voelde ik toen ik tegen de deur knalde.  
Ik draai met mijn wijsvinger cirkeltjes in de lucht, waarmee ik wil zeggen: kom eens hier, gij.

Zodra hij de deur open doet excuseer ik mij voor het storen en vraag of ze geen kamer vrij hebben. 
"Nee, helaas ", antwoordt hij, "we zijn volzet."
Zie je wel..., Betlehem ! 
"Hebt u echt geen plaats meer voor ons?' vraag ik wanhopig en voeg er wat commentaar aan toe over zwaar beladen moto's, glibberig regenweer en een moeilijk te vinden gite.  

Het sikje krijgt medelijden met mij en zegt dat hij nog eens gaat zien. 
Nog eens gaat zien? reageert mijn alerte brein. Een hotel dat volzet is - en op slot-, blijft toch volzet? Als hij terug komt en nu ineens wél een kamer heeft, dan ... 

De man met het sikje keert terug.
"We hebben nog een kamer" zegt hij. 
Wat een leugenaar, denkt mijn brein.
"Wat een geluk", zeg ik. En ik meen het. Ik ben opgelucht.

'De parking is hier vlak achter het hotel, via de doorgang hiernaast. U kan uw motor daar zetten.'
'Ok, ik ga het rap aan mijn vriend zeggen' ratel ik.
Waarop de man verveeld op zijn uurwerk kijkt en eraan toevoegt 'Wilt u zich wel haasten want het is al bijna middernacht en wij willen sluiten'. 
        Alsof ik dat niet wist.
'Oui, Monsieur' zeg ik gehoorzaam en storm weg in draf.  
 
Bondgenoot is in geen velden te bespeuren.
Tot ik vlakbij de motorfietsen ben. Dan zie ik hem zitten op het bordes van een winkel, onder de beschutting van een zonne(in dit geval regen-)wering, met zijn laptop op zijn schoot. 
Ik kan raden wat hij doet: een nieuwe gps route maken.
Buiten adem vertel ik hem dat ik een kamer gevonden heb. In een hotel dat eerst volzet was en plots niet meer. Dat we dus veel geluk hebben. En dat de brommers veilig op een parking achteraan kunnen staan. 
'Mmmm...' mompelt hij.
Alleen maar dat: Mmmm. En hij blijft bezig met Mapsource.
Oei.
Ik durf hem niet opjagen door te vragen of hij zich wil haasten. Dus ik doe het met lichaamstaal. Ik trek mijn helm over mijn hoofd, bestijg mijn Kawasaki en rijd naar het hotel zonder op hem te wachten. 
Asociaal en onbeleefd maar het kan tellen zeker, als hint? 

In het smalle steegje tussen het hotel en de naastliggende zaak is het ellestekedonker. Pikdonker bedoel ik. Ik moet remmen en mijn ogen wat tijd gunnen om aan de duisternis te wennen, vooraleer ik verder kan rijden, de parking op. Ik wil zo snel mogelijk parkeren en terug naar het plein - Bondgenoot weet immers niet waar ik ingeslagen ben- maar ik kan niet zien of de ondergrond hier oké is.  Als de zijstandaard van mijn moto weg zakt of in een putje staat, zal mijn motor omvallen. 
Na een paar keer met mijn laarzen over de grond te hebben gewreven, waag ik het erop. Ik haast mij terug naar het steegje, net op tijd om Bondgenoot te zien voorbij rijden.  O nee !
Roepen heeft geen zin, hij zal mij niet horen met die helm.
Ik spring de straat op en begin als een bezetene grote manoeuvers te doen met mijn armen. 
Op het einde van de straat zie ik hem afdraaien om rond het plein te rijden. 
En dan, - oef, hij heeft mij gezien- , slaat hij nog eens af, en rijdt terug richting hotel. 
Nadat we de papieren formaliteiten afgehandeld hebben, halen we de koffers van de Kawa's en sleuren ze de trappen op.
Door het vele lopen en opjagen sta ik in schuim en zweet.  Voor één keer trekken we ons niets aan van de buren en nemen om middernacht nog een douche.
En dan kunnen we eindelijk slapen.  
Niet op Domaine de Savignoux , maar tenminste in een bed.

Zo veel beter dan in een greppel. Of een ziekenhuisbed.
    
 

De commentaren zijn gesloten.